Medemblikker magistraten: 1700-1795
(WFON 1992, pagina 98)
Aanvulling van deze groep gebeurde pas als door overlijden een
plaats vrijkwam. In volgorde van anciënniteit kwam uiteindelijk elke
vroedschap aan de beurt, hoewel men soms lang geduld moest oefenen.
Nadat het contract van correspondentie in 1717 in werking was getreden
was de burgerneestersverkiezing helemaal een farce geworden. De
vroedschap bestond nog maar uit veertien leden, zodat slechts tien heren
verkiesbaar waren. Elke kolom droeg uit hun midden een burgemeester
voor. Uiterlijk acht dagen voor de verkiezing werden de zestig stemmers
ontboden en kregen de opdracht de voorgedragen heren op oudejaarsdag te
kiezen. De president-burgemeester diende het ene jaar uit de ene kolom
en het volgende jaar uit de andere kolom te komen 15).
Aan deze situatie kwam een einde in 1748. Willem IV stemde toe in het
verzoek om de verkiezing van de burgemeesters volgens de oude privileges
te laten plaatsvinden. Dit leidde echter niet tot vrije verkiezingen
daar het in de tweede helft van de achttiende eeuw gebruikelijk was voor
de begeving van ambten aan de stadhouder te vragen of hij iemand aan te
bevelen had (het recommandatie-stelsel) 16).
De verkiezing van de schepenen vond plaats op Nieuwjaarsdag. Ook hierin
kon de burgerij enige invloed doen gelden. Een groep van veertig
personen, alle vroedschappen aangevuld met leden uit de 'zestig',
trokken een boon uit veertig stuks waaronder zich zeven zwarte bonen
bevonden. Degenen die de zwarte bonen hadden getrokken stelden een
nominatie van veertien personen op. Deze mochten niet aan elkaar verwant
zijn. In de praktijk kon iedereen uit de burgerij tot schepen worden
gekozen. Een aftredende schepen was echter pas na een jaar herkiesbaar.
Tot en met 1667 koos de schout uit de nominatie zeven schepenen. Bij
octrooi van de Staten van Holland werd de verkiezing aan de
burgemeesters opgedragen, In 1675 trok Willem III het recht naar zich
toe 17).
In het Tweede Stadhouderloos Tijdperk werden de schepenen weer door de
burgemeesters gekozen. In het genoemde contract van 1717 werd bepaald
dat elke kolom drie schepenen koos en beurtelings de president-schepen
leverde. Willem IV verzocht in 1748 in het recht van zijn voorganger te
worden hersteld. Sedertdien werd jaarlijks de nominatie van dubbeltallen
aan de prins gezonden 18).
Degenen die in de achttiende eeuw tot schepen werden gekozen zijn in te
delen in drie groepen. De meeste leden van de vroedschap waren eerst
schepen geweest. Jonge vroedschappen konden ook nog tot schepen worden
gekozen. Was men eenmaal burgemeester geweest dan werd men daarna geen
schepen meer. De tweede groep bestond uit andere leden van het
regentenpatriciaat, die door de verwantschapsbepalingen niet in de
vroedschap konden komen. Zij vormden zo'n 30% van die schepenen die niet
vroeger of later tot de vroedschap doordrongen.
15) OAM inv.nr. 36, resolutie 20-6-1717.
16) OAM inv.nr. 36, resoluties
7-12-1748 en 28-1-1749. Voor het recommandatie-stelsel zie: A.J.C.M.
Gabriëls - De heren als dienaren en de dienaren als heer. Het
stadhouderlijk stelsel in de tweede helft van de achttiende eeuw (1989).
17) Tegenwoordige Staat, 516; De Lange - Regeringsvorm,
passim; Kooijman - Regenten, 49.
18) OAM inv.nr. 36, resoluties 20-6-1717 en 1-1-1748.
© 1954-2012 | Westfriese Families | E-mail
"Die zijn voorgeslacht niet eert, is zijn eigen naam niet weerd."