Medemblikker magistraten: 1700-1795
(WFON 1992, pagina 95)
De rest van de zeventiende eeuw kenmerkte zich door economische
stilstand, waarna in de achttiende eeuw de achteruitgang inzette. Er was
nog maar weinig handel en scheepvaart en enige scheepsbouw. De havens
werden voornamelijk nog gebruikt als vluchthaven voor schepen in nood of
als overwinteringsplaats voor die schepen, die uit angst voor ijsgang
niet verder de Zuiderzee op wilden varen. In het midden van de
achttiende eeuw telde de stad ca. 750 huizen (ongeveer 2500 inwoners),
in 1795 was het aantal inwoners gedaald tot 2008 4).
Het stadsbestuur van Medernblik werd in de achttiende eeuw gevormd door
een raad, doorgaans de vroedschap genoemd, en de magistraat bestaande
uit de schout, drie burgemeesters en zeven schepenen. De magistraat was
verantwoordelijk voor de wetgeving, schout en schepenen zorgden voor de
rechtspraak. De vroedschap vergaderde meestal eens in de twee weken over
zaken als financiën (belastingen), benoemingen, plaatselijke en
landelijke politiek. De burgemeesters waren in feite het dagelijks
bestuur van de stad.
De
vroedschap
In het handvest dat Filips II op 8 oktober 1563 aan Medemblik verleende
werd het bestaan van een vroedschap bevestigd. Over het ontstaan bestaat
onduidelijkheid, maar sedert het midden van de vijftiende eeuw heeft er
een raad van zestien van de rijkste en bekwaamste burgers bestaan. In
het handvest werden ook de voorwaarden om in de vroedschap te worden
opgenomen vastgelegd: niet alleen moest uit de 'wijsste nutste ende
bequemste ( ... ) burgers ende poirters' worden gekozen, maar
ook diende men tenminste 25 jaar oud te zijn en niet te nauw verwant te
zijn aan een zittend lid van de vroedschap. In vacatures zou door middel
van coöptatie worden voorzien.
De Staten van Holland verleenden op 21 juli 1668 octrooi aan Medemblik
om het aantal leden van de vroedschap te laten uitsterven van zestien
tot veertien raden 5).
Bij de wetsverzetting in september 1672 werd door Willem III het aantal
weer op zestien gebracht 6).
In 1710 besloot de vroedschap de twee vacante plaatsen niet op te
vullen, maar aan de Staten van Holland te verzoeken om het octrooi uit
1668 opnieuw te bevestigen. Dit verzoek werd op 22 maart 1710
ingewilligd 7).
In 1717 ontstond onenigheid in de vroedschap toen bij afwezigheid
van een groot aantal leden door de overigen uit hun midden de
gecommitteerden in enkele buitencomrnissies (Rekenmeester en
Admiraliteit Noorderkwartier) werden gekozen. Om dergelijke 'Oneenigheden
en Misverstanden' en de 'Onbeijlen die daar uijt te dugten
waaren' in de toekomst te voorkomen besloot men op 24 juni 1717 een
zgn. contract van correspondentie aan te gaan. De vroedschap werd
verdeeld in twee 'Kolommen' van elk zeven personen.
4) A.M. van der Woude - Het
Noorderkwartier (1972), 114.
5) OAM inv.nr. 17, keurboek.
Tegenwoordige Staat, 514-515; De Lange - Regeringsvorm, 128; Kooijman -
Regenten, 46.
6) OAM inv.nr. 36.
Zie ook: D.J. Roorda - Partij en fractie (1961), 242.
7) OAM inv.nr. 36, resolutie 1-3-1710; inv.nr. 34,
octrooi Staten van Holland, 22-3-1710.
© 1954-2012 | Westfriese Families | E-mail
"Die zijn voorgeslacht niet eert, is zijn eigen naam niet weerd."