Westfriese families
Wapen van West-Friesland
 

Artikelen » WFON

Enkele bijzonderheden uit het leven van Gijsbertus Blankendaal, chirurgijn te Noord-Scharwoude van 1714-1722 (WFON 1975, pagina 114)

Maarten Cornelis Hart te Oudkarspel en Pieter jansz Roskammer te Heerhugowaard, resp. 39 en 32 jaar oud, verklaarden: Dat zij 18 juli 1714 bij Gijsbert Blankendaal aan het hooien waren. Blankendaal liep op een gegeven moment naar zijn binnenwoning om geld te halen voor tabak. Hij kwam echter ontsteld en verbaasd terug en zei: 'Ik mis mijn geld mannen'. Hij vroeg toen de mannen mee naar binnen te gaan in het achterhuis. Blankendaal heeft daar zijn vrouw, Geertruyt van Borse, afgevraagd of zij wist waar het geld geborgen was. De vrouw antwoordde van nee. Blankendaal had daarna zijn vraag herhaald en gezegd, vrouw je moet het hebben, beken het toch, dan zal ik het verder vergeten. Ze bleef sterk ontkennen en zei: 'Zo ik het geld heb of wete mocht, ik wil lijden dat 't op mijn hert lag en brande'. Op 't aanhouden van Blankendaal bekende ze tenslotte het gebracht te hebben bij Sara Cornelis te Oudkarspel.
Hierop gingen de drie mannen naar het huis van Sara Cornelis en Blankendaal vroeg haar om het geld, waarop zij antwoordde, dat zijn vrouw niet bij haar was geweest en zeker niet om geld te brengen. Zij voegde er nog aan toe dat ze nooit meer geld van Truy in bewaring zou willen nemen, zoals ze in het verleden wel had gedaan. De drie mannen gingen weer naar het huis van Blankendaal en constateerden daar, dat zijn vrouw inmiddels was vertrokken.
Trijn Jans Ellen te Noord-Scharwoude, oud 30 jaar, verklaarde: Dat op woensdag 18 juli j.l., toen Blankendaal aan 't hooien was, zijn vrouw bij haar kwam vragen of zij voor haar enig geld en goed wilde verbergen, omdat zij van plan was van haar man af te gaan. Trijn Jans had haar aanvankelijk deze handelswijze afgeraden en alle medewerking geweigerd, maar na sterk aanhouden had zij dan toch het verzoek ingewilligd. Toen naderhand Blankendaal met zijn arbeiders om hooi was uitgegaan had Geertruyt van Borse bij haar het volgende in huis gebracht, 'verscheyden vrouwe kleederen, een bloedkoralen ketting (twee dik) met een gouden haak, een gouden hoepring, drie silveren lepels, een zilveren beugeltas waarin seyde te wesen hondert daalders aan geldt. Ook enig gemaakt en ongemaakt linnen'. Verder had de getuige wel vernomen en geconstateerd dat Truy weer bij haar man teruggekomen was. Maar op 22 juli, de zondag daarop, was het weer helemaal mis. 's Morgens vroeg kwam getuige bij het huis van Blankendaal om zijn koeien te gaan melken en ander boerenwerk te doen. Zij zag echter dat het schuitje van de wal was en dat de buitendeur open stond. Toen zij naar binnen ging lag de chirurgijn nog op bed te slapen. Zij maakte hem wakker en zei: 'Meester Uw deur staat open, wat is dat?' Blankendaal werd met schrik wakker. Hij kwam zijn bed uit en constateerde met de getuige dat zijn vrouw wederom was weggegaan. Bovendien zag hij dat zijn voornaamste kleren ook weg waren en eveneens die van zijn overleden vader. Verder vermiste hij nog wat linnen, een bed met toebehoren, zijn 'chirurgijns instrument coker', de kaas en boter die de getuige daags te voren had gekarnd en nog wat andere goederen.

« Vorige pagina | Volgende pagina »


© 1954-2019 | Westfriese Families | E-mail | Sitemap
"Die zijn voorgeslacht niet eert, is zijn eigen naam niet weerd."

Westfrieslanddag 2019